Occupation in dutch

Translation: occupation, Dictionary: english » dutch

vak, bewoning, arbeid, bezigheid, beroep, handwerk, ambacht, emplooi, karwei, klus, bezetting
occupation in dutch

Related words

Other Languages

Related words

occupation language dictionary dutch, the occupation, what is occupation, what does occupation, family feud, occupation definition, occupation in dutch

Translations

occupant in dutch - bewoner, inzittende, inzittenden, de inzittenden, bezetter, aanwezige
occupants in dutch - bewoners, inzittenden, bezetters, de inzittenden, de bewoners
occupational in dutch - beroeps-, beroepsmatige, werk, het werk, beroepsziekten
occupationally in dutch - arbeidsongeschikt, beroepsmatig, beroepshalve, arbeidsgehandicapten, arbeidsgeschikten
wits in dutch - verstand, hoofd erbij

Random words


Occupation in dutch - Dictionary: english » dutch
Translations: vak, bewoning, arbeid, bezigheid, beroep, handwerk, ambacht, emplooi, karwei, klus, bezetting